|
Aforismen
Uitleg onderaan
de pagina of klik hier
1 Omdat wij anders
willen, dient God zo goed te zijn.
2 Het wordt pas
bijgeloof, door naast ons geloof te denken.
3 Naargelang wij er
innerlijk mee eens zijn, zal het ons uiterlijk minder in verschil wezen.
4 Zolang de mens wil
overleven, heeft hij ook zijn overlijden nodig.
5 Zolang wij ons
geloof in contrast brengen met ongeloof, zijn ze het geen van beiden.
6 Alleen gedachten
kunnen gedenken eens het denken te zijn geweest.
7 “Denken” is voor
velen niet aantrekkelijk, daar het voor niemand tijd heeft.
8 Om de zon te
waarderen, heeft men regen nodig.
9 Recht: heerst;
gebogen: beheerst.
10
Laat wat worden wil
geworden, want wat de mens het meest beijvert, is het ploegen in andermans denken.
11 Het zoeken van de
mens begint daar, waar hij het voor gezien houdt.
12 De vrede die men
wenst, is niet de vrede die men voorstaat.
13 Liefde ontstaat
zodra wij er geen punt meer van willen maken.
14 “Hoop” heeft zijn
eigen creatie en kent zijn meester niet.
15 “Vreugde” is de
herkenning van het vermoeden dat zij wezenlijk bestaat.
16 Verdriet: neerslag
van geluk.
17 De schepping kent
geen massa maar verscheidenheid.
18 “Abnormaal” is niet
diegene waaraan het wordt toebedacht, maar aan hem bij wie het opkomt.
19 Compost:
hemelresten.
20 Het grote
misverstand bij rijken is vaak, dat ze denken het al bereikt te hebben.
21 Roest: overleden
ijzer.
22 IJs: geschrokken
water
23 Storm: haastige
zuurstof.
24 Baksteen:
kleipartij.
25 Geld:
gematerialiseerde arbeid.
26 Suiker: uitgedachte
zuurstof.
27 Vuur: geestdrift.
28 “Min of meer” is om
het even, al telt ze niet toch is ze alle zeven.
29 Wat recht ontvangen
wordt, wordt gebogen verwerkt.
30 Dat men geen
wonderen meer signaleert, komt vanwege het feit dat men er aan gewend
is.
31 Wie zich druk maakt
om een ander, zit zelf met de moeilijkheid.
32 Koppel niet, want
zij wrikt.
33 “Hoop” doet leven;
tenminste…dat hoopt men.
34 Het kruis is er op
deze wereld om er te zijn en niet om te worden gehanteerd.
35 Inzicht geeft
uitzicht.
36 De onmacht van de
mens ligt in het feit dat hij er zelf in gelooft.
37 Last wordt een last
als men er last van krijgt.
38 Zekerheden zijn
schaars, omdat men ze van een ander verwacht.
39 “Oppervlakkigheid”
maakt doorsnee mensen.
40 Een dwaas die denkt
dat hij het getroffen heeft.
41 “Verworvenheden”
laten vaak zien wat een ander behoeft.
42 Een preek
verkondigt de spreker, maar ook niet meer.
43 “Genoegzaamheid”
breekt zichzelf af.
44 Hars: boomtranen.
45 Zij die de wijsheid
nog niet kennen, kijken er tegenaan.
46 Wie het “moment”
begrijpt, laat eeuwen liggen.
47 “Onveranderlijk”
doet verdichten.
48 Lucht: verdronken
water.
49 “Weten” kent geen
vragen. “Denken” zijn “gedachten”voor.
50 Kracht: ruimte
tussen twee bewegingen.
51 In de slaap komt
men altijd tot zichzelf.
52 Ziekte is afsterven
van gebruikte tijd.
53 Tot de ware
wetenschap komt men door het af te leren.
54 Kostbaar is, wat
zelf kan geven.
55 “Vriendelijkheid”
vraagt zich nooit af.
56 Iemand is niemand.
57 Het verlengen van
het verleden is het verleiden van het heden.
58 “Klappen” verklaart
niets, maar deelt uit.
59 Versmelten: samen
wezen hun zelf te zijn.
60 Verrekken: langer
laten wat korter is.
61 Verschuilen: laten
denken er niet te zijn.
62 Verwezenlijken:
grip op grijpen hebben.
63 “Soort” is haar
instandhouding, “hoedanigheden” haar ontwikkeling.
64 Onveranderlijk
lijkt de mens in zijn veranderen van anderen.
65 Wij hebben er geen
idee van als we zeggen dat ideeën geld kosten.
66 Verplichten: meer
laten doen dat zij inhoudt.
67 “Zaligheid” is de
beleving van velen, nooit van een.
68 Waarheid voedt in
die mate waartoe de honger zich laat stillen.
69 Kortzichtigheid:
blindstaren.
70 Dat wind zijn
streken heeft, kan de mens verhalen.
71 “Toeval” is de
steen waarmee de mens zijn denken afsluit.
72 Het stellen van
belangen noemt men belangstelling.
73 Neem de herinnering
niet op, want zij passeert niet meer.
74 Veel mensen maken
zich druk om geen tijd te hebben.
75 Laat twijfel
twijfelen, en zij twijfelt nooit meer.
76 Bemoeien is
vermoeien.
77 Die wijst, wijst
af.
78 Spitsvondig:
geslepen “ik”.
79 Wie zich een weet,
kan niemand meer passeren.
80 De ware dichter
kent geen droge ogen.
81 Ook de diepere zin
heeft zijn oppervlakte.
82 Een denker die het
is, is heel wat anders dan die het denkt te zijn.
83 “Onbedacht” blijft
denkenvermogen.
84 Vergeet het niet:
elk lied heeft zijn sleutel.
85 Wie zijn wezen
kent, hoeft het niet meer te maken.
86 Een zin heeft pas
zin, als ze te denken geeft.
87 Het kompas van onze
reis ligt in ieders ziel.
88 Het is de mens die
eerst wil uitvinden wat zij morgen is.
89 “Het woord” is niet
wat zij betekent, maar wat zij inhoudt.
90 De mens heeft geen
ziel; hij is ‘t.
91 De Goddelijke kroon
heeft een maat die iedereen past.
92 “Terugslag” geeft
branding.
93 Niet wat het oog
doet strelen, maar wat haar doet bevelen.
94 Stiptheid fundeert,
maar slaat geen bruggen.
95 Het verschil is
alleen de schil.
96 “Verhoringen” geven
de mens toetsen.
97 Protest: het
ongenoegen zichzelf nergens te kunnen plaatsen.
98 Hart: motoriek van
de ziel.
99 Een verzonnen
verhaal is dichter bij de waarheid dan wij vermoeden.
100 Wat zucht heeft
zich gelucht.
101 “Verantwoordelijk
zijn voor anderen” is niet door ons te nemen, maar aan de ander te
laten.
102 “Vlak” is het
begin; “oneffen” door te worden; “vereffend” door te zijn.
103 Dressuur:
gecultiveerde vorm van onderwerping.
104 Verandering wekt
altijd beroering.
105 Onwetendheid drijft
de mens tot cultus.
106 Wie de zon alleen
van buiten kent, moet steeds wachten op een wolkenloze hemel.
107 Een gek heeft de
mens een hoop te bieden; alleen al door het vermogen eerlijk te zijn.
108 Verdedigingswerken
belemmeren al snel het uitzicht.
109 “Vergankelijkheid”
is het eeuwig recht van stervelingen.
110 Zolang de mens
verbruikt, kent het zijn vermogen niet.
111 Wie vaak zijn muren
zelf moet slechten, zal ook steeds minder hoog gaan bouwen.
112 Mens: transmissie
van kracht.
113 Het vitaal tekort
van een volk staat altijd naar de grote van zijn bewapening.
114 Het voelen van de
zon doet ons des te meer benadrukken.
115 Wie kennis tot zich
neemt, wordt zich bewust van wat hij weet.
116 Te weinig
werkelijkheid schept idealisten.
117 Wie vrijheid voor
zichzelf wil, laat haar aan anderen.
118 Teveel contrast
verhard de bast.
119 “Wetenschap
bedrijven” is zijn kunnen, niet zijn Weten.
120 Alleen onze ziel
kan verwantschap met anderen geven.
121 Waarheid wordt
ondervonden, nooit geleerd.
122 Waarheid:
tijdelijke begripsvorming van een eeuwig deeltje.
123 Wie van zijn geest
bewust wordt, verplicht zich tot niets.
124 Het ware geluk
lacht ons niet toe, maar gaat van ons uit.
125 “Genegenheid” is de
vrucht van luisteren.
126 Zo de mens zich
niet kan veranderen, dan in ieder geval zijn dood.
127 De ware genezer
heeft niemand ooit gezien, maar altijd ondervonden.
128 Onder gezond denken
kan geen ziekte leven.
129 Wie rijk is zal
tevens het vermogen bezitten zijn armoe te verbergen.
130 Wie kennis heeft
aan het leven, staat voor niets.
131 Alleen Goddelijke
gerechtigheid is buiten alle twijfels.
132 Ware macht is het
symbool van beheersing.
133 Een kunstenaar is
een meester die zijn leerling weet te volgen.
134 Gedachten hebben
hun gangen; denken hun poorten.
135 Kosmos: klein zijn
wij in haar; groot is zij in ons.
136 God is dood die zag
dat het goed was, en leeft die kan zien dat het goed is.
137 Ruim te denken doet
ten volle genieten.
138 Wie het tot
gewoonte maakt, blijft er ook mee zitten.
139 Zonder de dood zou
het geen kunst zijn om te leven.
140 “Achteruitgang” is
ook een opening.
141
De menselijke
tong kent nauwelijks rust: als ze het niet voor het zeggen heeft,
heeft ze het maar te slikken.
142 Aforistisch:
gecondenseerd “denken”.
143 Een Godvruchtig
mens streeft niet meer naar wat hij wil zijn, maar wat hem doet zijn.
144 Wie op de juiste
wijze weet in te haken, kent ook het patroon.
145 Verhoor:
woordschaak.
146 Gedenknaalden zijn
er alleen om de draad niet kwijt te raken.
147 “Maat” leren we
kennen als ze vol is.
148 Schrik doet de mens
zichzelf achterhalen.
149 Kunst wat af is, is
kunst geweest.
150 Wie anderen
misleidt, is ook zichzelf te glad af.
151 Parallellen zijn te
verenigen, hun principes niet.
152 Een mens die
afstand neemt, heeft veel af te leggen.
153 De menselijke
fantasie zal eens realiseren wat zij voor onmogelijk heeft gehouden.
154 Zoals de klok zich
aan de tijd verslingert, zo leeft de mens zijn eigen lot.
155 Praten heeft alleen
maar zin in regels.
156 Wat ons gestolen
kan worden, vindt nooit een dief.
157 Echtwaar kan nooit
waar zijn.
158 Wie een kind kan
blijven, maakt de grootste kans volwassen te worden.
159 “Zonde” is zonde
van de tijd.
160 Principes groeien
het hardst bij vastgelopen mensen.
161 Wie innerlijk
groeit, heeft zijn lichaam voor de stand van zaken.
162 Luisterrijk:
veelzeggende stilte.
163 “Onbegrip” heeft
zijn redenaars.
164 Wat men doet om
reden, is zijn beleven niet.
165 Gods “zien”doet
“zijn”beleven.
166 Het minst begrepen
is datgene waar men geen kunst aanvindt.
167 Het leven doet zich
niet voor, maar doet zich na.
168 Wie overbodig
wordt, is reeds aangenomen door zijn talenten.
169 Het is onmogelijk
iets in de gaten te krijgen waar men geen gat in ziet.
170 Wie bang is dat
zijn vrijheid wordt ontnomen, is haar niet.
171 Veel verstrooiing
doet ongemerkt verliezen.
172 Liefde voegt niets
toe, maar betaald zich af.
173 Kenmerk van de
eeuwigheid is het heden te zijn.
174 Wat niet buigen
wil, zal zich doen verweren.
175 Zolang wij het
beheersen, hangt het niet boven ons hoofd.
176 Door lompheid zal
men aan een kluit een kluif hebben.
177 Het product van de
roddel is de kletsoor.
178 Goed gedrag kent
zijn verdragen.
179 Wijd denken doet
ons vertakken.
180 Haat heeft aan rood
genoeg.
181 Een klager brengt
altijd zichzelf aan.
182 Wie zichzelf aan de
kook brengt, kan alleen nog popelen.
183 Een “partij” is
niet meer dan een grote hoop.
184 Zij die “wegen”
hebben ook hun gewicht mee in de schaal.
185 Kijken in stilte is
luisterrijk zien.
186 Waar anderen voor
opstaan, hebben wij niet wakker van te liggen.
187 Om de stof te
regelen hebben we haar op een rij te zetten.
188 “Geboorterecht” is
recht op zichzelf.
189 Bemoeizucht kost
veel lucht.
190 “Eerlijk doen”is
nog niet “eerlijk zijn”.
191 Liefde die niet
vraagt, heeft ook niemand van terug.
192 Alleen wat eeuwig
is zal de vorm doen verjaren.
193 Wat de geest laat
weten is niet te geloven.
194 Wie zich bezwaard
voelt, is er tevens mee belast.
195 Dat het geestelijk
leven in de aan ons voordoende natuur niet te vinden is, ligt niet in
het feit dat ze het voor ons verbergt maar dat ze het voor ons
verbloemt.
195 Zolang wij het
inzicht niet hebben, zal het ons tot verbeelding zijn.
196 Verstandigheid
geldt alleen in een wereld waaruit zij is gemaakt.
197 Wie het in zijn
ziel weet te ordenen, klaart vanzelf op.
198 Hij die zijn ziel
gaat openstellen, zal eerst een zucht van “verlichting” slaken.
199 Daar wij onze ziel
nog maar nauwelijks kunnen luchten, zijn we er nog al te vaak van buiten
adem.
200 Wat ons verschaft
is de ziel, maar nochtans willen wij het zelf verdienen.
201 Alleen de kroon van
de schepping kan niet worden opgezet.
202 Zodra de mens
zwanger wordt van geest, raak hij over tijd.
203 Zonder geest hebben
wij ons hart vast te houden.
204 Het voordeel van de
twijfel is alleen haar tijd.
205 We krijgen het te
doen met wat wij te regelen hebben.
206
Zolang wij
niet naar onze geest willen luisteren, zolang hebben wij het hier
hooguit alleen maar voor het zeggen.
207 Zij die wakker
worden in hun ziel, kennen een gerust hart.
208
Een
onevenwichtige ziel heeft veel van haar woorden te verdraaien en
maakt veel van haar bewegingen verdacht.
209 Hij die veel naar
zich toedenkt, zal er een zwaar hoofd in krijgen.
210 Een grote mond laat
nooit de ziel uitspreken.
211 Wie overdrijft is
voor anderen een nakijken.
212 In het zoeken naar
massa, vinden wij alleen gedrang.
213 Waar de mens ook
heen vaart in zijn ziel, hij zal nergens stranden.
214 Zo het “denken”
naar ons vermogen is, zo zal ons vermogen naar ons “denken” zijn.
215 Bewustzijn: het
totaal aan verloop van tijd.
216 Wie “het leven” wil
doorgronden, zal er eerst aan moeten geloven.
217 Scheppend denken:
“wie had dat ooit gedacht”.
218 In het aanpakken
van een probleem wordt evenzo getild.
219 Het licht van onze
hemel is zo licht, dat we er nooit toe zullen komen daarover licht te
denken.
220 Het werkelijke
leven is zo doorzichtig, dat het ons verstand ontgaat.
221 Ziel: “ze is van
binnen,buiten en van buiten, binnen.
222 Zolang wij ons in
wezen niet kennen, draaien wij er omheen.
223 Door ons in te
laten met geest, vergaat het de tijd.
224 Alleen door geest
voor te stellen, komen wij erachter.
225 Geest: het doet ons
meer dan we er aan kunnen doen.
226 De geest is zo
vluchtig, dat geen mens er aan ontvluchten kan.
227 Hoe minder wij
afzien in onze wereld, hoe meer wij onze geest tegemoet komen.
228 Door geest te
beroeren, borrelt ze vanzelf in ons op.
229 In de stof benoemen
we alles, in de geest mag het geen naam hebben.
230 Juist in wat wij
aanleren maken wij ons besmettelijk.
231 Wie buigzaam is
voor de geest, zal ook mogen weten wat hij te waaien heeft.
232 Alleen aan de
buitenkant van de hemel tekent zich alles af.
233 Wie zijn eenheid de
rug toekeert, raakt vanzelf in tweestrijd.
234 Wie toont met zijn
geest, heeft de stemming erin.
235 Wie zijn God niet
leert bezingen, raakt altijd van de wijs.
236 Kosmische afstanden
heeft de mens niet om af te leggen maar om te achterhalen.
237 Wie zijn geest
eenmaal heeft aangevraagd, houdt Hem voor altijd aan de lijn.
238 Zolang de mens zijn
ware aard niet kent, is hij het in doorsnee.
239 We denken primitief
zolang wij daarmee in oorlog zijn.
240 Het land van de
stilte heeft haar eigen geluid.
241 Wie met zijn ziel
vaart, heeft altijd bolle zeilen.
242 Zo de mens in zijn
ziel kan staan, zo staat hij er ook voor in.
243 In luisteren is
alles geoorloofd.
244
Kosmische
verschijnselen wekken bij de mensheid altijd verbazing, totdat zij
het in de gaten krijgen.
245
Zij die menen
in deze wereld een enkele reis te maken, zullen eens beseffen dat
wij hier allemaal op ons retour zijn.
246 Als er iets niet
loont in deze wereld, dan is dat wel onze verdiende loon.
247 In de bloeitijd
karakteriseert zich de ziel.
248 Wat God vereeuwigd,
dienen wij mee voor de dag te komen.
249 Een rimpelloos
leven laat altijd een verstreken tijd zien.
250 Wat God verschaft,
schaft nooit.
251 Wat God beoogt, is
altijd uitzicht.
252 Wie de geest past,
trekt hem aan.
253 Daar wij in God nog
sterk wankelen, hebben wij de geest “voor het geval”.
254 Zolang de mens
denkt dat hij het voor ’t kiezen heeft, zolang zal hij het voor z,n
kiezen krijgen
255 Wie stemt op God,
heeft Hem in elk lied.
256 Wie ervoor heeft
geleerd, zal geest er op nahouden.
257 Het mooie van alles
is, dat het ook lelijk kan zijn.
258 Hij die zijn ziel
wil bewijzen, raakt kant nog wal.
259 Met twee wordt het
gemeten; met een wordt het geweten.
260 Het bijzondere van
gewoon is, dat men zichzelf kan zijn.
261 Wie anderen in
betrekt, heeft zich in menigte.
262 Wat kruist zal zich
hebben te overbruggen.
263 Een aangrijpend
verhaal vraagt altijd om een toegestoken hand.
264 Zolang de mens zich
hoogacht, heeft hij met gevallen te maken.
265 Zo wij meer willen
dan ons lief is, plegen wij aanslag.
266 Wie het heelal
meet, meet zijn bewustzijn.
267 Wie een ander
waarlijk wil helpen, zal zichzelf hebben te geven.
268 “Denken” neemt
waar, waar gedachte in deelnemen.
269 Waar gedachten
zijn, is “denken” allang geweest.
270 Zonder voorspel
geen voorspelling; zonder “voorstel”geen “voorstelling”.
271 Hebben wij een
vrije wil?; hij is vrij als wij dat willen.
272 Wat stoffelijk niet
is uit te spreken, is uitgesproken geest.
273 Geest bevalt niet,
maar openbaart.
274 Alleen geest is
trouw, omdat het niet te duren heeft.
275 Wie geest van stof
aftrekt, komt op nul uit.
276 Zo gesloten
gedachten zijn, zo open is het “denken”.
277 “Denken” is niet
relatief, daarmee heeft zij de grootste snelheid.
278 Wat in liefde is
gebracht, is door de mens het meest verkracht.
279 Zolang wij water
niet zien als een zegen, zal het komen als zure regen.
280 We hebben “nu” te
leven, en dat vinden wij maar even.
281
Zoals het
leven verschijnt, is niet door ons te rijmen; zoals het leven
verdwijnt, is niet door ons te lijmen.
282 Alleen door
veelheid van blad, komen wij tot “bomen”.
283 We schudden
eigenlijk ons hoofd, om met ons nee niet een te hoeven zijn.
284 Zo hij is, zo hij
zaait; zo hij doet, zo hij maait.
285 Omdat we het niet
konden laten, hebben wij er steeds weer mee te doen.
286 Niets is zo
onzinnig als het wisselen van gedachten.
287 Zo de mens zich
innerlijk wil toetsen, zo neemt hij het klimaat waarin hij leeft.
288 De mens is van
binnen “in” en van buiten “uit”; zit het er niet in, dan komt het er ook
niet uit.
289 Als Hij komt zal
het geen tijd worden maar licht.
290 Wie zijn eigen
natuur wil onderzoeken, die heeft het voor zich.
291 “Denken” doet de
mens gedachteloos.
292 Omdat het geloof zo
weinig te zeggen heeft, wordt het ons steeds weer aangepraat.
293 De goedkoopste
ontspanning is nog altijd de ontspanning van onszelf.
294 We zijn kompleet,
en daar zullen wij het mee moeten doen.
295 Het mag geen woord
hebben; en dat is ‘t ‘m nu juist.
296 Volheid van geest,
daar worden wij verlegen van.
297 Schade aan de ziel,
zal met schamen in ons opkomen.
298 We kunnen beter op
letters letten, dan er door geletterd te zijn.
299 Zolang wij “tijd”
niet beheersen, hebben wij met de klok mee te draaien.
300 Alleen door de tijd
kunnen wij wijzer worden.
301 De tijd zal net
zolang blijven tikken, totdat ze voor ons heeft te kloppen.
302 Het kasteel “ons
buiten” staat in “het land van bedrog”.
303 Zo wij allen nog
blind zijn, zo heeft ’t ook nog niemand op te vallen.
304 Dat wij geestelijke
krachten tot onze beschikking hebben, is niet te geloven.
305 De ware liefde
zoent niet, maar verzoent.
306 Liefde buigt zich
niet, maar buigt mee.
Begeleidend schrijven aforismen
Deze aforismen – bedoelt als
ongekleurd te zijn en universeel - zijn in eerste instantie geschreven als
een persoonlijke waarheid en behoeft als zodanig geen toelichting of
inleiding, als de lezer zich er namelijk maar in kan her-kennen en mee kan
identificeren. Voor zover dit nog niet het geval is zou ik de lezer graag
op enkele punten willen wijzen zo hij toch kennis zou wil nemen van de
inhoud.
Informatie op schrift, hetzij
als leerstof bedoelt of voor ontspanning, zal bij hen die het in gedachten
nemen een beeld oproepen die de schrijver voorstaat, ook al zullen deze
beelden door een ieder persoonlijk weer gekleurd worden.
D.a.t. zijn deze
aantekeningen van een ander gehalte. Zij zullen ook een beeld oproepen,
maar niet het beeld wat de schrijver voorstaat.
Waarheid kan alleen in alle
vrijheid geschreven en gelezen worden en niet te vatten als zij de ander
wordt opgelegd. Waarheid functioneert voor een ieder zodra een ziel zich
hiervoor open weet te stellen, o.a. door het woord waarin het is
neergelegd. Het is dan ook niet het gesuggereerde beeld wat door het
algemene denken wordt opgeroepen, maar de eigen waarheid die zichzelf
daarmee in beeld weet te brengen.
Dat deze innerlijke
activering een intensief denken met zich meebrengt hoeft geen betoog. Het
is daarom raadzaam een aantekening meerdere keren te lezen en te
overdenken voor men verder leest. Niet eerder dan dat het begrip er is,
zal zich overeenkomstig een beeld vormen, waarbij zij opgemerkt dat
“begrip”in deze zin anders moet worden gezien dan regulier gebruikelijk.
Als leerstof gezien zal het nu eenmaal bij een aanduiding blijven als
zijnde een verstandelijke bevatting, en heeft het bloot te staan aan het
keuringsvermogen van de lezer of het wel of geen zin heeft, of het wel of
niet zinnig is dit in zijn of haar geheugen te willen opslaan.
In geestelijke zin zal het
zich d.a.t. transcendent gaan voordoen en op bovenzinnelijk gebied het
waarheidsgevoel daaraan te kennen geven. Dit laatste zal uiteraard niet
direct op te brengen zijn, maar zo men maar enigszins ontvankelijk mocht
zijn voor hetgeen men als aforismen leest, zal het begrip hiervoor zich
vanzelf aankondigen. Is het vooralsnog niet mogelijk dit laatste te
verwezenlijking, dan zal voorlopig blijken dat er nog de nodige zinnen
onlogisch zullen voorkomen en de schrijver nog een te grote fantasie zal
worden toegeschreven. Maar gezien het feit dat als men zover is gekomen om
de tekst toch voor zichzelf te laten spreken, zal dit laatste dan ook
waarschijnlijk niet tot een onoverkomelijk bezwaar worden.
Men moet niet vergeten dat
het hier gaat om geestelijke zaken die zo mogelijk in woorden zijn gevat.
Onze taal is gebaseerd op stoffelijke vormen die wij onze buitenwereld
hebben opgelegd.
Datgene nu wat onder die
oplegging leeft, gaat onze verwoording vooraf. Maar gezien wij nog geen
begrip kunnen opbrengen voor hetgeen nog niet herkent is, zal het voor de
mensheid voorlopig nog moeilijk zijn de geest in het algemene denken op te
nemen. Dus ook te verwoorden. Kosmisch denken is nu eenmaal een denken dat
niet alleen oog heeft voor het eeuwige maar ook voor de tijd. Zij wil met
het eeuwige de tijd laten omvatten, omdat er dan juist de optimale
mogelijkheid er is daarmee en daarin verstaan te worden. De zinsopbouw is
mede hierdoor voor onze huidige begrippen niet altijd correct naarmate er
bovenzinnelijke zaken er aan toegevoegd zijn. Het is een vorm, een vorm
die men kan omvatten maar ook kan bevatten. Zij zal op deze wijze al meer
voor ons mensen betekenen als naar wat zij zich in haar ongevormdheid
heeft aan te dienen.
Wie zijn geest hierdoor leert
kennen, leert ook het rechte in alle onredelijkheid en in het onlogisch
zijn. Juist door het laatste leert men de werkelijkheid die aan onze eigen
realiteit vooraf gaat. Men gaat niet alleen zijn wereld maar nu ook zijn
denken rond zien, en bemerkt dat in alle onbegrijpelijkheden een reële
wereld aan ten grondslag ligt. Het zal ons dan ook op weg helpen volledig
mens te worden en te wezen zoals wij blijken te zijn.
De ontvankelijkheid die bij
het lezen van dit werk wordt voorgestaan houdt niet in dat er wordt
verwacht geen kritiek daarop te mogen hebben, integendeel. Gezond redelijk
denken is zelfs voorwaarde, maar wel in die zin dat men zijn kritiek
toetst en niet zoals men in het algemeen geneigd is, er mee te oordelen.
In dit verband wil ik graag
aan diegene zeggen die hun kritiek als beroep hebben en gewend zijn hun
sympathie of antipathie uit te spreken over beide kanten die nu eenmaal
elke zaak betreffen: “waarheid vindt men altijd in het midden”.
Klik hier om terug naar boven te gaan

Meer informatie
over de aquarellen, zie
aquarellen.
|